Een telefoontje naar de hemel

In elke stad die ik bezoek, brand ik een kaarsje in een kerk naar keuze. Vooruit, het is me niet élke keer gelukt, maar ik kom er aardig dicht in de buurt. En dat terwijl ik niet gelovig ben; ik bezit nog wel de kinderbijbel die ik ooit van mijn opa en oma kreeg, maar veel waarde hecht ik niet aan het geloof. Wel aan dat kaarsje. Ik zie het als een kleine groet aan de dierbare mensen in de hemel.

Een lichtje de wereld in sturen

Ik geloof heilig in de kracht van liefde en licht. Elke keer dat ik een kaarsje brand, stuur ik een lichtje de wereld in en voel ik me dichter bij de mensen uit mijn familie- of vriendenkring die niet meer in leven zijn. Omdat de dood zo onherroepelijk en onaantastbaar is, visualiseer ik dan altijd dat de dierbare persoon in kwestie vanaf een wolkje een lichtje ziet branden, speciaal voor hem of haar.

Vervolgens ga ik nog een stapje verder en stel ik me voor dat die persoon een groet terugstuurt, en ik dan een mooie vlinder zie vliegen of dat er op dat moment speciaal voor mij een regenboog verschijnt. Een klein teken, een soort spiritueel Whatsapp-bericht, verborgen in een citroenvlinder of een veertje dat opeens voor mijn neus omlaag dwarrelt. Of dat ik door het ritueel in de kerk een telefoongesprek met de door mij gemiste persoon kan voeren.

’Mama, wat is dood?’

Kinderlijk? Naïef? Misschien. Het punt is dat ik als volwassene ook geen beeld heb bij een eventueel hiernamaals. Ik hoop wel vurig dat er zo’n mooie plek als de hemel bestaat, en probeer dat vertrouwen ook uit te dragen naar Elise.

Ik merk namelijk dat zij, zo jong als ze is, zich al een beetje bezig begint te houden met het begrip ‘dood.’ Ze vroeg al jong naar bepaalde personen op de foto’s bij ons thuis, en wilde weten waar sommigen nu waren; zij kende ze namelijk niet. Ik vond niet dat ik het mooier moest maken dan het was, dus ik noemde het beestje bij de naam. Eerst behoefde ze geen verdere uitleg.

‘Wat is dood dan eigenlijk, mama?’ Haar vraag kwam uiteindelijk veel eerder dan dat ik eraan toe was. Ik had geen antwoord paraat. Uiteindelijk zei ik: ‘Dat betekent dat die mensen op een hele mooie plek zijn.’ ‘Wat voor plek dan?’ vroeg ze. ‘De hemel.’ Met dat antwoord was ze gelukkig weer even tevreden.

Een telefoongesprek met de hemel

De laatste keer dat ik een kaarsje brandde, stelde  ik me voor dat ik even met mijn opa belde.

‘Hé opa! Met mij!’

‘Hé Room! Hoe is het? Ik was even drop kopen op de markt.’

’Goed hoor. Ik ben nu in Maastricht. Ik ben denk ik al 5 kilo aangekomen.’

’Ach, lekker eten hoor! Een mens moet genieten. Zijn er ook Indische restaurants?’

’Vast wel, maar we zijn een beetje blijven hangen bij patissiers en eetcafe’s.’

’Eetcafé’s.. niet te geloven. Je hebt zeker alleen maar aardappelen gegeten. Chinese restaurants dan? Of Surinaams?’

’We liepen net wel langs een kraampje met zelfgemaakte saté.’

’Aaah, saté! Enak zeker!’

’Ik zat nogal vol van de lunch in het eetcafé en…’

’Er is toch ALTIJD plek voor saté! Jammer deze.’ (Mijn opa sprak van tijd tot tijd met Indische tongval en dito uitdrukkingen.)

’Vooruit, morgen misschien. Ik laat je wel weten hoe het was. Oh, trouwens: dit is je achterkleinkind.’

‘Dat weet ik toch. Ik kijk naar jullie, hoor. Kleine Nona Manis, zij staat altijd te zingen. Doei, ik ga nog even fruit halen, want anders is het op.’

En ik liet het kaarsje weer branden tot hij op was, en verbrak zo de verbinding weer. Ik zei niet dat ik hem miste, of dat er zoveel veranderd is sinds hij vertrok. Praten over eten was wat we bijna dagelijks deden, en die dagelijkse dingen mis ik juist zo.

Pas geleden kwam van Elise vraag waar die overleden mensen dan precies waren. Kennelijk had ze het er al eens met haar oma over gehad, want ze vertelde me hoe mensen die dood zijn begraven worden onder het zand, en dat er een mooie steen bij staat. Hoe kunnen die mensen dan tegelijkertijd ergens anders zijn?

Hoe leg je zoiets uit aan een meisje van vier? Ik zei toen maar dat die mensen overal zijn, en de hemel ook, net als de zon en de wind. Dat vond ze maar gek. ‘Dat kan niet, mama,’ zei ze op bijdehante toon. ‘Ik vraag het aan iemand die het wél weet. Juf I. of zo.’

Wat ze ook mag leren over het onderwerp en of ze er nou in gaat geloven of niet…Als volwassen vrouw van 37 hoop ik nog altijd dat er ergens echt een telefoon rinkelt op het moment dat ik een brandend kaarsje op z’n plek zet.

Filed under Dochterlief vertelt
Author

Romy (1980) is familiemens, wannabe multi-tasker, en bovenal schrijfster in hart en nieren. Ze is gek op series kijken, boeken lezen, hard meezingen met de radio (wel als ze alleen is) en lekker eten. Verder is ze gelukkkig getrouwd en heeft ze een dochter van 4 jaar, haar inspiratiebron voor deze blog.

2 Comments

  1. Wat een intens mooi blog. Dit ontroert me enorm. Ik doe namelijk hetzelfde… Even een groet naar boven. Een groet voor telkens meer lieve mensen, waarvan sommigen nog echt veel te vroeg… Hier in het noorden is een open kerk met een kaarsje branden minder gebruikelijk, maar áls ik het doe dan doe ik het met heel mijn hart en alle lijnen naar boven geopend 💚
    Hele lieve knuffel xxx

  2. Ik doe dat ook bijna altijd (een kaarsje branden). Waar ik ook ben. Als ik een kerkje zie dan ben ik binnen. Iedere avond heb ik trouwens een momentje, dat ik naar buiten kijk. Mijn neus tegen het raam druk en het plekje waar de katjes begraven liggen bekijk. Tegelijkertijd denk aan iedereen die er niet meer is. Familie. En de huisdiertjes dus. En dat ik ze – in gedachten – begroet. Raar? Gek? Kan mij niet schelen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *