Dochterlief schrijft #4: het zwarte gat na de NaNoWriMo

Eind november vorig jaar bevond ik me ergens tussen totale euforie en volledige uitputting: ik had NaNoWriMo gewonnen en 50.000 woorden geschreven.

Ploppende kurken

De dag zelf kan ik me nog goed herinneren. Ik voerde mijn woordenaantal in op de site en en zag de teller boven de 50.000 uitkomen. (Op 50.144 woorden, om precies te zijn!) Op de site van NaNoWriMo wordt er dan onmiddellijk een heel feestelijk proces in gang gezet. Je ontvangt een officiële videoboodschap van het team met felicitaties, je profiel krijgt meteen een badge met ‘winner’ erop en ook gevoelsmatig ploppen de kurken van de denkbeeldige champagneflessen.

Ik staarde met waterige ogen naar het scherm van mijn laptop. Het was volbracht! Of nou ja: de eerste ruwe versie van mijn verhaal stond op het digitale papier. Ik had gedaan waar ik al zo’n beetje mijn hele leven – want ik schreef mijn eerste verhaaltje toen ik 5 jaar oud was – van droomde: een boek geschreven. Maar toen bleek ik er nog lang niet te zijn. Want dat het schrijven van een boek gewoon erg hard werken is, daar kwam ik door mijn deelname aan de NaNoWriMo ook al snel achter.

En nu?!

De decembermaand was aangebroken, een drukke feestmaand vol verplichtingen. Ik had me voorgenomen om deze maand te gebruiken om te herlezen en te herschrijven. Nou, ik kan jullie vertellen dat me dit niet gelukt is. Ik heb bijna de hele maand niet naar mijn verhaal gekeken, tot ik op de dag besloot het bestand op mijn laptop te openen. Ik las de eerste paar zinnen en dacht: ‘Wat heb ik in godsnaam geschreven? Dit is slecht. Niemand wil dit lezen, al worden ze er met een pistool op hun hoofd toe gedwongen.’ Ja, ik ben wat melodramatisch aangelegd.

Ik sloot het bestand en besloot ter plekke om een nieuw verhaal te schrijven en mijn manuscript nog even te laten sudderen. Misschien moest het idee nog rijpen in mijn hoofd. Misschien moest ik het verhaal ooit wat samenhangender maken. Bij voorkeur vóór de 18e verjaardag van mijn dochter, die misschien dan wel interesse zou hebben in de zielenroerselen van haar moeder.

Of misschien was het gewoon een type verhaal dat men ooit, bij voorkeur over een jaar of 50, bij toeval zou vinden als ik er al lang niet meer zou zijn. Dat leek me in eerste instantie best een fijne gedachte: ik zou er geen greintje verantwoording voor af moeten leggen en de lezers zouden zeggen: ‘Nou, ze kon best schrijven, die vrouw,’ of ‘Wel goed dat ze gewoon aan haar carrière naast het schrijven is blijven werken!’

Niet meant to be

Eigenlijk, lieve bloglezers, ben ik gewoon een schijterd. Zelfs mijn man heeft het manuscript nog niet gelezen. Er hebben zich via social media spontaan proeflezers aangeboden, maar ook die geïnteresseerden durf ik het niet te laten lezen. Misschien is het omdat het gewoon niet meant to be is. Zou ik het verhaal anders niet vol trots en met tromgeroffel aan ze presenteren? Ja toch?

Ik heb me nooit gerealiseerd dat het schrijven van een artikel voor de blog totaal anders is dan het schrijven van een roman. Op de een of andere manier voelt het schrijven van een artikel wat luchtiger – ook al heb ik talloze zwaardere blogartikelen geschreven. Het schrijven van deze roman was heftig en persoonlijk, en het manuscript laten lezen aan een ander dan mezelf voelt momenteel als op klaarlichte dag naar het centrum van onze hoofdstad te reizen en me daar voor 10.000 mensen te uit te kleden met een spotlight op me gericht.

Ik weet niet of dit voor elke schrijver en voor elk genre zo voelt, maar ik ben dan toch geneigd om te zeggen: bij twijfel niet doen. Laat het manuscript even met rust. Je hebt bewezen dat je het kan, geef het de tijd. Er komt wel weer een dag dat je het bestand wil openen en wil herschrijven.

Ondertussen, of eigenlijk al tijdens het schrijven aan die roman in november vorig jaar, kwam er spontaan een idee voor een kinderboek bovendrijven. Dat idee ga ik dit jaar wél uitwerken. Wordt vervolgd!

8 Comments

Comments are closed.