Een goed vogeltje

In de tuin van ons vakantiehuis zie ik een vogelei liggen. Mijn man draait het eitje voorzichtig om met zijn voet: er zit nog een vogeltje in. Het vertoont tekenen van leven.

Onze kleuter is in alle staten. ‘O nee, papa! Vlug, red hem! Voordat een ander dier hem pakt!’ We proberen uit te leggen dat babyvogeltjes soms uit hun nest worden gegooid, omdat ze zwakker zijn dan hun broertjes of zusjes. Dat begrijpt ze niet. Juist voor zwakke diertjes moet gezorgd worden, zeker door de papa en mama.

We plaatsen het eitje met inhoud onder een boom, zodat het wat meer beschut ligt. Ze wil het eigenlijk niet achterlaten, maar we gaan vandaag de omgeving verkennen en het avontuur lonkt toch meer.

Die dag bezoeken we onder andere de Britse militaire begraafplaats in Bayeux, waar ruim vierduizend militairen hun laatste rustplaats hebben gevonden. Sommige graven worden nog bezocht. Onder een grote boom staat een groepje mensen met elkaar te fluisteren, duidelijk geëmotioneerd. De haartjes op mijn armen gaan overeind staan.

‘Jullie hadden moeten zeggen dat we naar een begraafplaats zouden gaan,’ zegt de kleuter verontwaardigd. ‘Nu hebben we niks. Ze moeten toch bloemen hebben, en ik had een tekening voor ze kunnen maken.’ Vierduizend tekeningen, daar had ze nog een hele klus aan gehad, maar onhaalbaar was het zeker niet geweest in haar ogen.

‘Kijk nou,’ zeg ik tegen mijn man, en we blijven even stil staan voor een rij graven. ‘Achttien, negentien jaar zijn sommigen slechts geworden.’We schudden onze hoofden. ‘Is dat oud?’ vraagt onze dochter. ‘Nee,’ zeggen we onnadenkend. ‘Dat is juist heel erg jong.’ Ze houdt op met huppelen. Haar voeten sjokken in het gras. ‘Kunnen we weer gaan?’ vraagt ze. ‘Ik ben moe.’

Thuis is het eitje verdwenen. Stilletjes kijkt ze naar de plek waar het lag.

Even later kruipt ze op mijn schoot. ‘Ik wil nóóit dood gaan,’ fluistert ze in mijn oor.’ Ik streel haar nek. ‘Dat snap ik schatje,’ zeg ik, ‘Maar de meeste mensen gaan pas dood als ze heel erg oud zijn.’

Verdrietig schudt ze haar hoofd. ‘Niet waar! Op de begraafplaats waren ze heel erg jong. En dat vogeltje was een baby! Hoe kan dat dan?’

Omdat ik op die vraag geen antwoord kan bedenken wat haar gerust zal stellen, spenderen we de rest van de week voornamelijk op het strand en in mooie plaatsjes, waar we veel te veel crêpes en ijsjes eten. De omgekomen soldaten en het dode vogeltje verdwijnen langzaam naar de achtergrond, tot de laatste vakantiedag aanbreekt.

‘Dat vogeltje hè?’ Ze trekt me met glinsterende ogen aan mijn mouw.  ‘Door hem heeft een ander dier nu geen honger meer. Is dat niet juist mooi? Dat ze elkaar zo geholpen hebben? Hij was niet zwak. Hij was juist een goed vogeltje, mama.’

Als iedereen zou denken zoals zij, zou het nooit meer oorlog zijn.

Filed under Dochterlief schrijft
Author

Romy (1980) houdt van schrijven, lekker eten, lezen en mooie plekken. Schrijft momenteel eindelijk haar eerste kinderboek en bezit honderden notitieboekjes vol met nog meer verhalen.