Indo Pinda Poepchinees

‘Hé kijk!’ roept ze al huppelend. ‘Daar is die meneer van het Chinese restaurant.’ Ze staart hem nadrukkelijk na en houdt haar pas in. Dan vraagt ze: ‘Mama, waarom praten wij eigenlijk geen Chinees?’

Hanky Panky Shanghai

Ik leg haar uit dat ik geen Chinees kan praten. Er volgt een wat gefrustreerde zucht. ‘Hoe kan dat dan? Want we lijken wel Chinees. We hebben Chinese ogen, Chinees haar en een Chinese kleur hoor mama.’ Midden in haar relaas barst ze in zingen uit. Ze trekt haar ogen tot spleetjes en begint ‘Hanky Panky Shanghai’ te zingen.

‘Doe eens niet!’ zeg ik. ‘Dat vind ik geen leuk liedje.’ Ze begint te mokken. ‘Maar het is juist een grappig verjaardagsliedje. In het Chinees.’ Ik leg haar uit dat het geen Chinees is wat ze zingt, en dat ik het liedje en de bijbehorende gebaren niet aardig vind, omdat je mensen niet na moet doen.

Ik vertel haar dat haar betovergrootmoeders Chinees bloed hadden, en dat zowel zij als ik daarom dezelfde amandelvormige ogen en hoge jukbeenderen hebben.

Als we een paar dagen later een stel Aziatische zusjes zien lopen, komt ze er op terug. Ze begrijpt het gewoon niet zo goed, zegt ze. Die zusjes spreken Chinees én Nederlands. Wij zien er bijna net zo uit, maar spreken alleen Nederlands. ‘Wij zijn Indisch,’ zeg ik. ‘Indisch?’ Ze laat woord een paar keer over haar tong rollen. ‘Wat is dat, Indisch?’

Ik realiseer me dat ik dat eigenlijk niet weet.

Kamp Zij en Kamp Wij

In mijn hoofd komen de herinneringen uit mijn jeugd tot leven. Het overvloedige eten, de vele oude ooms en tantes, (die eigenlijk geen ooms en tantes waren) de Indorock waar ik met mijn opa op danste op de Indische feestavonden in de regio. De mysterieuze sprookjes, de wajangpoppen en beelden die ik nooit van dichtbij durfde te bekijken.

Ik had enge dromen over de onzichtbare wereld waarover gefluisterd werd, omdat die zich ergens tussen dromen en slapen bevond. In die wereld maakten overleden familieleden hun opwachting. De bordjes met eten werden bij speciale gelegenheden nog steeds voor hun opgeschept. Als kind keek ik er achterdochtig naar. Waren er nou hapjes van dat gerecht genomen, of verbeeldde ik me dat?

Mijn dochter kijkt me nog steeds vragend aan. Ik mompel iets over hoe haar opa, mijn vader, in Indonesië is geboren. Haar neus rimpelt. ‘Maar opa ziet er echt niet Indinees uit.’ ‘Het is iets van vroeger, schat. Daarom is dat zo.’ ‘Maar het is nog steeds zo, want we zien er nog steeds anders uit dan de rest,’ houdt ze vol. Ze heeft gelijk.

Ik weet niet hoe ik het aan haar moet uitleggen. Het is niet dat ik geen rugzak vol met verhalen heb over onze Indische roots. Ik kan er avonden mee vullen. Maar hoe leg je aan een kind van haar leeftijd uit dat je door dezelfde roots gevoelsmatig tussen twee werelden reist, en daardoor eigenlijk in geen van beide werelden echt ‘past’?

Hadden mijn man en ik haar Indischer op moeten voeden? Ben ik naïef geweest om te denken dat de Indische identiteit voor haar nooit een onderwerp van gesprek zou worden?

Ik heb mijn hele leven met de overtuiging geleefd dat mijn roots er niet zoveel toe deden en dat ik net zo was als de rest. Dat is er ook ingeprent, net als de boodschap om goed mijn best te doen, niet in negatieve zin op te vallen, en altijd boven de vooroordelen te staan.

‘Wij hebben Europees bloed!’ zei mijn opa altijd. ‘Zij zijn niet beter dan wij.’ Ik durfde nooit te zeggen dat ik überhaupt niet in Kamp Zij of in Kamp Wij wilde zitten, en niet wist wie er eigenlijk in Kamp Zij zaten.

Als mijn valse bescheidenheid en beleefde omgangsvormen opgemerkt werden door werkgevers en besproken op professioneel gebied, kwam daar altijd weer die Indische achtergrond bij kijken.

Opmerkingen als ‘Sambal bij?’ of imitaties van Ushi als ik mensen vertelde over mijn Indochinese roots: ‘Geintje, moet kunnen joh. Kan je wel hebben, toch?’ Ik beet maar extra hard op mijn tong. Scheldpartijen en onbeschoft discriminerend gedrag? Been there, got the t-shirt.

Mijn kind fietst daar wel doorheen, hield ik mezelf voor. De wereld is veranderd, er lopen tig nationaliteiten rond in het multiculturele Nederland, het maakt toch allemaal niet uit waar de wiegjes van je voorouders hebben gestaan.

Nog in dezelfde periode fietsten er een stel puberjongens langs ons heen, die heel hard: ‘NI HAO!’ naar haar schreeuwden en naar haar bogen toen ze naar ze zwaaide. Ik verloor mijn zelfbeheersing.

Terwijl ik naar ze schreeuwde of ze het lef hadden om dat wat ze riepen even tegen mij te herhalen, trok ze me aan mijn mouw en zei ze lief: ‘Wat leuk dat ze me groeten, hè mama!’

Bestaat de Indische cultuur nog wel?

Schrijfster Marion Bloem gaf een tijdje geleden aan dat ze tot de conclusie is gekomen dat de Indische cultuur niet bestaat. Haar argumenten zijn begrijpelijk en heel logisch. Ze is van de tweede generatie Indo’s, die de pijn en oorlogstrauma’s van hun ouders hebben meegemaakt en voor erkenning hebben moeten vechten.

Haar idee van een dynamische in plaats van een statische identiteit vind ik eigenlijk heel treffend en passend bij onze Indische roots. Het wordt tijd om af te rekenen met dat hokjesdenken.

Toch voelt het voor mij, als ‘derde generatie Indo’, een beetje dubbel. Ik wil mijn kind alles meegeven, haar uitleggen waar ze vandaan komt en wie haar voorouders zijn, en ik weet even niet hoe ik dat moet doen nu de overwegend positieve verhalen van mijn grootouders over hun jeugd weerlegd worden door nieuwe verhalen over hoe het er echt aan toe ging in de koloniale tijd.

Totdat ik de juiste woorden voor haar vind, hou ik de sprookjes, de liedjes, het eten en de opgepoetste familieverhalen maar in ere.

*De Glossy PINDA op mijn headerfoto is momenteel verkrijgbaar en is echt een aanrader voor mensen die interesse hebben in hun Indische roots. Alle kanten van het verhaal worden belicht. Dit is geen gesponsorde post.*

Filed under Dochterlief vertelt
Author

Romy (1980) houdt van schrijven, lekker eten, lezen en mooie plekken. Schrijft momenteel eindelijk haar eerste kinderboek en bezit honderden notitieboekjes vol met nog meer verhalen.