Kroepoek en pure chocola

‘Ik ben de kroepoek vergeten!’ zeg ik tegen mijn man terwijl ik de nasi goreng op tafel zet. In de voorraadkast liggen nog wel twee zakken chips, naturel en bolognese. Geen logische combinatie met de nasi, bedenk ik.

Heel even flitst er een beeld voor mijn ogen. Van een man, van top tot teen in het zwart gekleed. Grote donkere ogen, puppy-ogen noemde ik ze, met de kleur van gesmolten pure chocola. Er klinkt gitaarmuziek en geroezemoes, al zingend manoeuvreert hij zich als een troubadour langs de etende familieleden in de huiskamer. Hij had een voorkeur voor Bruce Springsteen en Eric Clapton. ‘You got me on my knees, Layla.’ De kinderen mochten van hem zoveel chips over de nasi strooien als ze wilden, ook al mopperde mijn oma dat dit niet zo hoorde.

Een blauwe maandag gaf hij me gitaarles. Ik kon maar niet wennen aan de harde snaren tegen mijn vingertoppen. Mijn dure gitaar werd uiteindelijk verkocht. ‘Je moet altijd eerst eelt kweken om verder te kunnen in het leven,’ zei hij quasi-grappig bedoeld. ‘Op je vingers, maar ook op je ziel.’

We deelden dezelfde muzieksmaak en de liefde voor boswandelingen. Voor dag en dauw gingen we op pad en keken we naar de opkomende zon en de druppels op het gras. We filosofeerden over het leven, de liefde en de dood. Hij was de enige die me geen zwaarmoedige puber vond. Ik zou er pas later achter komen waarom.

‘Eigenlijk ben jij mijn kleine zusje,’ zei hij tijdens een van onze laatste gesprekken. Ik glunderde. Ondanks de familierollen die ons in dit leven toebedeeld waren had ik hem al lang als mijn grote broer herkend. Misschien kwam het door het strooien van die rebelse chips over de traditionele nasi, doordat hij plagerig schudde met zijn hoofd als ik in vol ornaat naar een feestje wilde gaan (‘Er gaat echt niemand met je zoenen als je zoveel lippenstift opdoet!’) of doordat hij simpelweg altijd toevallig voor de deur stond op momenten dat het even niet zo lekker ging.

Het is al een half leven geleden dat ik op een mooie herfstdag huilend op mijn zolderkamer zat, de muziek keihard aanzette zodat niemand me kon horen, en door het raam tegen de wolken schreeuwde: ‘Waarom? Waarom juist hij?’ De wolken zwegen.

Als het gaat om de dingen in het leven waar je een beetje gek of excentriek voor moet zijn of die een don’t give a shit-houding van me vereisen, denk ik aan hem. Als er, in welke stad dan ook, een man al zingend gitaar speelt op de hoek van de straat of in een verlaten stationshal, geef ik geld en denk ik aan hem. Ik heb nog steeds geen eelt op mijn vingers, wel op mijn ziel.

Soms hoor ik Eric Clapton onverwacht in een winkel of in de auto zingen.’Would you know my name if you saw me in heaven?’ Dan zie ik ze weer voor me, de gesmolten pure chocola en de ochtendtranen op de bladeren van een herfstbos, en knik ik ja tegen de wolken.

Photo by Devon Divine on Unsplash