Mijn meisje van zes

Je drukt je voeten in mijn oude schoenen: ‘Ze passen echt mama! Of nou ja, bijna. Bewaar je ze voor mij?’

Mijn elastiekjes, lippenbalsem en armbandjes liggen opeens allemaal op jouw kamer. Het volgende doel is mijn oorbellencollectie; je hebt sinds kort gaatjes in je oren en er gaat een wereld voor je open.
‘Samen zullen we alles delen, mama!’

‘Doe je je jas aan? En je sjaal? Opschieten nou, we moeten gaan!’
‘Mag ik dan ook een beetje lippenstift op?’ Ik schud mijn hoofd.
‘Wanneer dan wél? Als ik zeven ben, of acht?’ Buiten staar ik naar jouw grote meisjesvoeten onder jouw lange benen, alsof ik ze voor het eerst zie. Alsof ik jou voor het eerst zie, met  je nieuwe jas aan, weer een maatje groter.

Soms wil je geen kus meer in de klas. Een snelle knuffel: ga nou maar!
Ik sta buiten voor het raam en kijk naar hoe jij doet alsof je mij niet ziet. Met je hoofd in de wolken, je wangen roodgekleurd van pret. Je hebt je plek gevonden.

Net als ik weg wil lopen zie ik je blik even naar het raam schieten.
Stiekem knipogen we naar elkaar. Niet te opvallend, hoor. ‘ Geen kushandjes mama, laten we gewoon voor de grap onze tong naar elkaar uitsteken.’
Ja, ik weet het meisje. Je bent al groot.

Op weg naar huis, terwijl mijn voeten gele herfstblaadjes vertrappen, overdenk ik zes jaar moederschap. Ik zie mezelf in de badkamer van het ziekenhuis voor de laatste keer mijn zwangere buik bekijken, terwijl ik ons allebei moed in praat voor de volgende dag. Even voel ik weer de paniek en mijn totale uitputting.

Ik denk aan die lange gang in het ziekenhuis waar geen eind aan leek te komen.Waar ik liggend op bed op weg ging naar jou. Je vader had me een eerste foto van jou gegeven en die hield ik in mijn handen alsof het van porselein was. De verpleegkundige liep veel te langzaam naar mijn zin.
En dat ik, toen je warme lijfje eindelijk op mijn borst werd gelegd, echt
dacht dat mijn hart het zou begeven.

Jij en ik, wij zouden samen opstijgen naar de sterren en de maan, en weer terug. Maar we bleven samen in dat bed, met je vader aan onze zijde. Om ons heen fluisterden andere ouders tegen hun baby’s. De steriele ziekenhuislucht was gevuld met liefde en iedereen werd er dronken van.

Je viel zomaar vredig in slaap op mijn borst, alsof je nooit anders had gedaan en wij nooit iets anders van elkaar waren geweest dan moeder en kind. Wat koester ik die herinnering van ons in dat bed. Als ik mijn ogen dicht doe, heb ik je nog steeds zo in mijn armen.

Ik weet nog zo goed hoe onze eerste kerst was, samen als gezin. De lichtjes van de kerstboom aan, de verwarming hoog.
Toen ik met jou op mijn schoot zachtjes huilde om de kerstliedjes op de radio. Vooral omdat ik besefte: dit is hoe geluk voelt. Daar op die bank, waar ik je nooit meer los wilde laten, leek later nog zo ver weg te zijn.

Maar later is nu, en nu ben je groot. Zes jaar pas, maar toch. Elke dag doe je een paar stappen meer van mij vandaan, en ik laat je gaan.

Je bent geen kraaiende baby meer, geen ondernemende dreumes die veel te snel wilde opgroeien. Geen peuter meer met een pan op haar hoofd en een pollepel in haar hand, dansend op de melodie van Woezel en Pip.
Geen kleuter meer, die verlegen aan mijn hand haar stoeltje zoekt in de klas.

Mijn grote meisje van zes, ik weet nog zó goed hoe je was.

Filed under Dochterlief vertelt
Author

Romy (1980) houdt van schrijven, lekker eten, lezen en mooie plekken. Schrijft momenteel haar eerste kinderboek en bezit honderden notitieboekjes vol met nog meer verhalen. (Maar eerst dit boek maar eens afmaken.)