Naar de haaien

Bijna elke ochtend zie ik hem, aan de hand van zijn moeder. Zijn broek is een beetje te kort, zijn haren vallen slordig op zijn voorhoofd. Zijn voeten sloffen lusteloos over de grond.

Mijn dochter en ik lopen achter hen aan. Ik kan haar bijna niet bijhouden. Ze rent, raapt kastanjes van de grond en vertelt me over haar dromen van die nacht. Het ene moment zijn we ridders op weg naar ons kasteel die onderweg vijanden moeten verslaan, het andere moment ninja’s die onzichtbaar zijn voor iedereen.

Toe dan

Negen van de tien keer halen we moeder en zoon in. Hij kijkt naar mijn dochter en zij naar hem. Haar lach wordt niet beantwoord. Zijn moeder zegt ons vriendelijk gedag, en wendt zich tot hem: ‘Pas je op dat je niet struikelt? Er komt een auto aan, even wachten.’ Als we bijna op het schoolplein zijn, rent mijn kind op klasgenootjes af. Hij blijft staan, hangt aan zijn moeders arm. ‘Toe dan,’ zegt ze, en kijkt naar het speeltoestel in het midden van het schoolplein.

De decibellen op het schoolplein stijgen al snel. Af en toe komt mijn dochter bij mij terug, meestal met een vraag. ‘Mag S. straks bij mij spelen? Oh, en kan ik morgen bij M.? Want dat vroeg ze net.’ Samen met haar vriendinnetje rent ze naar de zandbak, twee paardenstaarten dansen in de wind. De wereld is hun speeltuin en ze zijn voor niets en niemand bang. Aan twee handen hangen ze aan het hoge klimrek. ‘Kijk dan mama, kijk nou wat ik durf!’  Rode konen, stralende ogen.

Even verderop zie ik hoe het jongetje huilend naar zijn moeder loopt. ‘Dan ga je toch met een ander kindje spelen?’ hoor ik haar zeggen. Hij schudt zijn hoofd en rent in haar armen.

Ik wil alleen maar zwemmen

Ik beantwoord haar blik en probeer geruststellend te glimlachen, maar ik voel een knoop in mijn maag.

Ik denk aan hoe snel een kinderleven overgaat in een grote mensenleven en aan hoe hard dat leven kan zijn. Aan hoe hoog de groepsdruk is, hoe veeleisend werkgevers kunnen zijn, en hoe je populariteit bepaald wordt door het aantal likes op social media. Ik denk aan de dag dat ik mijn dochter zal groeten en ze alleen naar haar middelbare school zal fietsen.

Mijn gedachten verspringen naar de vissen die we laatst bewonderden in het aquarium bij de Chinees om de hoek, en hoe ze continu achter elkaar aan zwommen, de grotere vissen druk jagend achter de kleintjes aan.

Het herinnert me eraan dat ik de zwemlessen van mijn dochter een keer moet gaan regelen. Ik zie voor me hoe ik zelf tijdens het afzwemmen tussen alle andere kinderen mijn hoofd boven water probeerde te houden bij het watertrappelen.

Zwemles werd toen opeens een serieuze zaak, een eerste kennismaking met groter worden, verantwoordelijk zijn en iets bereiken. Niet alleen maar spelen met matjes en ballen. Ik voelde me voor de gek gehouden, ik wilde alleen maar zwemmen. Opeens schiet er een liedje van Spinvis door mijn hoofd.

Hé, ik heb geen probleem
Ik heb alles gefixt
Ik wou nog iets zeggen, maar ik weet het niet meer
Dan was het zeker niets
De dag is nog jong, ze trilt in de zon
Ik tel de echo’s in het trappenhuis
Ik hoor iemand zingen: Hé… ik wil alleen maar zwemmen

Als de school uitgaat nemen we een vriendinnetje mee. Uitgelaten roepen zij en mijn dochter hun klasgenootjes gedag. ‘High Five!’ gilt een jongentje naar mijn dochter, op weg naar zijn vaders fiets. ‘Doei E, tot maandag!’ Er wordt nog even tikkertje gespeeld, speels getrokken aan haar paardenstaart. Er volgen onhandige klopjes op kleuterschouders, omhelzingen met vriendinnen. We verlaten het schoolplein een kwartier later. Zwaaiend, alsof we de koninklijke familie zelf zijn.

Terwijl twee tevreden meisjes druk kletsend voor me uit lopen, zie ik ze weer. Alleen. Niemand loopt met ze mee naar huis, niemand roept of zwaait ze gedag. Ik kijk weer naar die sloffende jongensvoeten in grote gympen, naar haar hand die beschermend op zijn gebogen schouders ligt.

Voor me zingen mijn dochter en haar vriendinnetje een liedje van Kinderen voor Kinderen. ‘Stop stop stop met jagen, straks gaat alles naar de haaien.’ Wie is hier de vis en wie is de haai?

Wij slaan linksaf, zij gaan naar rechts. Even kijkt hij achterom. Ik zwaai en hij lacht voorzichtig.

Photo by Brandy S on Unsplash

Filed under Dochterlief schrijft
Author

Romy (1980) schrijft alles op in 1 van haar 1000 notitieboekjes in de hoop zo ooit een boek te creëren. Ze is gek op series kijken, boeken lezen, hard meezingen met de radio (wel als ze alleen is) en lekker eten.

4 Comments

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.