Terug naar Nederlands-Indië in Historisch Museum Bronbeek

Samen met een stel oudere mannen loop ik het terrein van Historisch Museum Bronbeek op. Eén van hen draait zich belangstellend om. ‘Ga jij ook naar de kumpulan vandaag?’

Drie donkerrode rozen

Hij draagt een net zwart pak met krijtstreep-patroon en in zijn hand heeft hij drie donkerrode rozen. ‘Nee,’antwoord ik. ‘Ik ga naar het museum vandaag. Mijn opa was KNIL-militair en ik ga wat exposities bekijken.’ Hij neemt me geïnteresseerd op. Ik val behoorlijk uit de toon; het gros van de bezoekers vandaag is man, 75+, vermoedelijk veteraan en netjes in pak gekleed. Ik was die ochtend snel in mijn sneakers geschoten en had mijn vale spijkerjasje van de kapstok gegrist.

‘Dan ga je je zeker niet vervelen,’ zegt hij goedkeurend. ‘Ik ga straks nog een vriend bezoeken. Helaas heb ik van een aantal van mijn kameraden afscheid moeten nemen dit jaar.’ Ik kijk weer naar de rozen in zijn hand. ‘Wat verdrietig,’ zeg ik, en denk: ‘Straks kan niemand meer jullie verhalen vertellen.’ Hij knikt, wenst me een fijne dag en loopt de andere kant op. Ik kijk naar de imposante villa voor me.

Historisch Museum Bronbeek in Arnhem is ooit begonnen als landgoed en Koninklijk Tehuis voor oud-militairen. Tegenwoordig wonen er nog ongeveer 50 oud-militairen van de Nederlandse krijgsmacht en het voormalig Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in het verzorgingstehuis op het terrein. De laatste keer dat ik hier was is al jaren geleden; bovendien speelde ik toen nog niet met het idee om mijn geheugen op te frissen met betrekking tot de verhalen die mijn opa mij ooit verteld heeft.

‘Studentenkaart?’ vraagt de man achter de kassa op serieuze toon. Ik schiet in de lach. ‘Museumkaart dan? Seniorenpas? Defensiepas? Reservistenpas? Veteranenpas misschien?’ vraagt hij met een knipoog. ‘Tja, dan kan ik er niets anders van maken.’ Ik betaal entree en loop richting de centrale hal. Ook hier kom ik wat hoogbejaarde mannen tegen. Er wordt meteen oogcontact met me gemaakt, geknikt en vrolijk gegroet. Ik haal de gemiddelde leeftijd behoorlijk omlaag en men lijkt hier opgetogen over te zijn.

Idyllische plekken vol gruwelijkheden

Ik loop naar de wissel-expositie over Changi, het grootste Japanse Krijgsgevangenkamp van Zuid-Oost Azië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Soldaat en tekenaar Henk Brouwer was hier krijgsgevangene en maakte portretten van zo’n 300 medegevangenen, aquarellen en schetsen van het dagelijks leven in het kamp. Ook kan je verschillende geluidsfragmenten beluisteren en korte impressies lezen over zijn ervaringen.

De tekeningen zijn erg mooi uitgevoerd. De landschappen doen vaak zo idyllisch aan dat ik niet kan geloven dat ik kijk naar prenten van een krijgsgevangenkamp. Ik blijf stilstaan voor een kleine t.v. waarop korte filmbeelden worden getoond van krijgsgevangen Australische soldaten op de dag van de bevrijding. Ze lachen allemaal de camera in, maar zijn vel over been en hun ogen glanzen niet meer.

Daarna loop ik naar de vaste expositie ‘Het verhaal van Indië’, waarin de gehele geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië en het verloop van de Tweede Wereldoorlog uit de doeken wordt gedaan. Erg indrukwekkend; ik heb er nooit goed bij stil gestaan wat voor rijke geschiedenis er eigenlijk is, hoe Nederlands-Indië is ontstaan en wat de politieke verhoudingen waren. De tentoonstelling begint eind 16e eeuw en eindigt in de postkoloniale periode, waarin honderdduizenden mensen naar Nederland verhuizen, waaronder mijn familie.

Deze foto toont niet alleen een typisch kantoor uit de postkoloniale tijd: op de muren staan duizenden namenlijsten van mensen die met de boot naar Nederland vertrokken.

Mijn oog werd uiteraard meteen naar de ouderwetse typemachine getrokken. In deze ruimte mogen lades worden opengetrokken en kan je met de ouderwetse telefoon aan je oor luisteren naar nieuwsberichten uit die tijd.

Er is overal wel iets te zien of te beluisteren. Uit respect berg ik mijn telefoon op. Wat is deze expositie prachtig en met gevoel voor detail opgezet en wat zijn de verhalen die ik hoor en lees schrijnend. Ik bekijk alles even door de ogen van mijn opa en voel zijn heimwee, verdriet en weemoed. Zo had het kunnen zijn, de mooie huizen met veranda, de feestjes, de tochten met de auto of motor door de vruchtbare groene landschappen. Ook kijk ik door de ogen van mijn kleuter: die had alles fantastisch gevonden. Het interactieve, het kleurgebruik, de kostuums van adellijke families en soldaten en de aardige opaatjes in de hallen.

Ik maak nog één foto van een quote van schrijfster Hella Haase bij het einde van de expositie. Daarna wil ik eigenlijk een hapje eten en drinken, maar het kleine restaurantje in het museum zit vol en in het grote restaurant op het terrein is een kumpulan voor genodigden bezig. Daarom loop ik de villa weer uit, langs de monumenten op het terrein. De bloemstukken van de herdenking van 15 augustus zijn verdord. Her en der liggen verse boeketten, de vele kaarsjes zijn al lang uitgegaan in de wind. Langzaam breekt de zon door, een laatste zomerse dag in september.

‘De volgende keer dat ik ga breng ik rode rozen mee’, bedenk ik me als ik met een hoofd vol indrukken het terrein weer af loop.

De tentoonstelling over Changi is nog tot 6 januari 2019 te zien bij Historisch Museum Bronbeek. Meer informatie over de openingstijden en het wisselende programma kan je lezen op de site van Bronbeek zelf.

Dit artikel is het 1e artikel in het kader van de kunstenaarsafspraakjes uit het boek ‘The Artists’ Way’ van Julia Cameron, waarin ik op zoek ga naar inspiratie voor mijn verhalen.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.