Veertig

Gisteren was ik nog een dertiger. Waar is de tijd gebleven? Ik weet nog zo goed hoe het was om achttien te worden, eindelijk oud genoeg om het leven ten volle te beleven. Ik smeerde de halve Etos aan oorlogskleuren op mijn gezicht en ging vol verwachting met een groepje vrienden de stad in, klaar om de mijlpaal der mijlpalen te verwelkomen.

In werkelijkheid eindigde ik de nacht samen met een vriendin. Beneveld door een gevaarlijke mix van bier en wijn belandden we in de groezeligste kroeg van de stad. Het rook er sterk naar bier en urine en het befaamde nummer van André Hazes werd steeds maar herhaald, zodat het laatste rondje alsnog anderhalf uur duurde.

Het bakbeest van een mobiele telefoon in een schreeuwende tint blauw die ik voor mijn verjaardag had gekregen vergat ik bijna mee te nemen. Stoïcijns hielden we vol dat dit echt de leukste avond van ons leven was: het begin van de rest van ons grootse en meeslepende leven. Als Instagram had bestaan, had ik er vermoedelijk een selfie opgezet met een extra flatterend filter vanwege het late uur en de uitgelopen mascara.

Veertig, dat is de helft van je leven. Dan ben je opeens een vrouw van middelbare leeftijd in plaats van een tiener op de middelbare school. Ergens in mij zit nog steeds dat meisje van achttien met de grote dromen, die zich maar blijft verwonderen over het leven. Af en toe zie ik haar felle blik weerkaatsen in de zwartomrande ogen van de achttienjarigen van nu.

Nog niet zo lang geleden bekeek ik mezelf in de spiegel. Weer wat extra vlekjes en lijntjes erbij, concludeerde ik met een zucht. Net toen ik uit automatisme make-up op wilde smeren, zei mijn dochter: ‘Ik snap niets van al die lijntjes bij je ogen en die verf op je wimpers. Je bent al mooi van jezelf.’ Zwijgend keek ik van mijn zesjarige goeroe naar mijn naakte gezicht in de spiegel. Mijn ware gezicht, zonder opsmuk, die moet ik inderdaad maar eens wat vaker laten zien. Ik liet de make-up achterwege.

Op mijn veertigste zou ik het leven doorhebben, dacht ik toen ik achttien was. Het zou geen geheimen meer voor me hebben, het water zou rustig kabbelen, mijn schaapjes zouden op het droge zijn. Een seniorenleven in een makkelijke stoel, veilig achter de geraniums, zou nog maar een hartslag van me verwijderd zijn. Ja, veertig leek op mijn achttiende echt stokoud.

Wat ze je niet vertellen over ouder worden is dat je basis hetzelfde blijft maar dat je rugzak ongemerkt steeds zwaarder wordt. Sommige mensen lukt het om er al lopend wat ballast uit te gooien. Dat vind ik lastig. Sommige dingen in mijn rugzak koester ik, ook al staan ze symbool voor ervaringen of mensen uit vervlogen tijden en deuren die voor altijd in het slot gesprongen zijn.

Laatst gooide ik mijn rugzak op de keukentafel en stalde ik de inhoud voor me uit. Ik telde de herinneringen en de levenslessen die aan deze items verbonden waren. Heb ik al deze dingen echt nodig? Ik reikte naar een vuilniszak. De mensen die willen blijven, zullen blijven. De dingen die ik echt nodig heb zijn geen dingen, en dus niet belangrijk.

De vuilniszak zit vol, mijn rugzak trekt niet meer aan mijn schouders. ‘Die geraniums moeten nog maar even wachten,’ denk ik als ik in de spiegel maar dat meisje van achttien in het lichaam van een vrouw van veertig kijk, en op het punt sta een pad te kiezen om vanaf nu te bewandelen. Dag jeugd, je was goed voor me. Hallo, rest van mijn leven: ik ben onderweg!

Photo by Denisse Leon on Unsplash