Zeewind

Op het strand vond ik een haaientand. Hij was groot, zwart en iets gekarteld aan de randen. De vondst leverde me veel aanzien op bij de andere kinderen. Ik bewaarde hem in een doosje met andere schatten.

Het dorpje in Zeeland was klein en saai, en ons poppenhuisje zo mogelijk nog saaier. Het was kleiner dan de eigenaar had aangegeven, zodat we met acht personen in een huisje voor vier personen zaten. Er moesten luchtbedden en slaapzakken aan te pas komen en de kinderen sliepen allemaal op een kamer. De inrichting leek van lang geleden en de vloeren kraakten, waardoor er bij het donker worden als vanzelf spookverhalen werden verzonnen en niemand meer kon slapen.

In het huisje rook het muf en vochtig en in sommige vertrekken was het altijd donker, alsof de zon bepaalde vertrekken nooit kon bereiken. Met mijn walkman op liep ik ‘s ochtends rondjes in de kleine tuin zonder noemenswaardige flora en fauna. Ik had een nieuw cassettebandje van Gloria Estefan gekregen, wiens muziek ik tot die tijd eigenlijk helemaal niet kende- ik vond haar hoofdzakelijk heel erg knap. Het cassettebandje kwam in mijn walkman niet verder dan het eerste nummer, ‘Coming out of the dark’, een heel gewichtig liedje met een gospelkoor op de achtergrond, dat ik steeds terug spoelde en dat daardoor het themanummer van de zomer werd.

Mijn lange haren, die tot aan mijn onderrug kwamen, liet ik verpesten in een souvenirwinkel aan de boulevard van een grotere stad door een lok in te laten binden met heel veel kleuren draad. Aan het einde van de zomer moest er twintig centimeter vanaf, maar toen leek het een goed idee. Op het strand was het meestal bewolkt en waaide het flink die zomer. Dapper zaten mijn nichtje en ik in badpak zandkastelen te bouwen in de branding. Het kippenvel stond op onze armen en benen, het windscherm hield de harde zeewind niet tegen. ‘Lekker weer hoor!’ riepen we klappertandend naar mijn oom en tante die beschut zaten. Bruin werden we ook al niet, maar het vinden van die haaientand stond voor geluk, had de verhuurder van het huisje me verzekerd. Elke avond keek ik daarom even in het doosje.

Diezelfde vakantie brak er ‘s avonds een zomerstorm uit. In plaats van in het huisje te blijven gingen mijn oom, tante, neefje, nichtje en ik naar het strand, waar we achterover konden leunen tegen de wind, vieze woorden naar elkaar konden gillen zonder dat de ander die verstond en de zee woest tegen de kust aan beukte. Daarna ging de hemel open en kregen we bakken met water over ons heen. Gillend van de pret renden we naar de auto. Die nacht sliepen we als een roos; de vloeren kraakten niet meer door spoken maar door de wind, en de wind was iets om je door mee te laten voeren naar nieuwe avonturen, niet om bang voor te zijn.

De haaientand heb ik nog jaren bewaard, maar toen ik onlangs op verzoek van mijn dochter door mijn oude spullen ging was hij onvindbaar. Misschien heeft een kind zijn toverkrachten nodig en heeft hij de weg naar de zee weer teruggezocht, klaar om op een dag opnieuw gevonden te worden.

Photo by Barth Bailey on Unsplash